Een malende molen is zonder meer een machtige machine. Wie met eigen ogen wil zien hoe Hollanders tot in de 20ste eeuw hun voeten droog hielden, moet eens op een winderige dag langs gaan bij De Dog in Uitgeest. Als de wieken draaien, is de molenaar aanwezig en kan men een kijkje nemen.

Ten noorden van Uitgeest staat langs de Geesterweg de Dog, een stevige en met zijn 125 jaren nog jonge poldermolen. Samen met het elektrisch gemaal ernaast verzorgt de Dog de afwatering van de Castricummerpolder.

De Dog in 1930 door een anonieme fotograaf vastgelegd. Het toen nog ongerepte polderlandschap is inmiddels voor een groot deel bebouwd. Noord-Hollands Archief/Collectie van foto's van de Provinciale Atlas Noord-Holland, NL-HlmNHA_559_007989.

Achtkante bovenkruier

De Dog is een robuuste poldermolen. Bij goede wind maken de wieken 20 omwentelingen per minuut. Ze bereiken een snelheid van 120 kilometer per uur. De molen verzet dan zo'n 80 kuub water per minuut, oftewel 80.000 literpakken melk. Dat is een machtig gezicht. In 2020 draaide de molen 360 uur.

De Dog heeft de wind vol in de wieken, en kan dan grote hoeveelheden water verstouwen. Foto: Henk Looijesteijn

‘Zeilschip’

Voorwaarde is wel dat de wind meewerkt. Daar is bij de Dog dan ook alles aan gedaan. De wieken zijn in 1965 voorzien van fokken. Ingenieur en zeiler Leen Fauël (1891-1992) bemerkte dat hij ook bij zwakke wind kon zeilen terwijl een molen dan niet kon malen. Hij ging de fokzeilen van een zeilboot in hout toepassen op de molenwieken, waardoor die ook bij zwakke wind goed kunnen draaien. Zo wordt een molen een zeilschip op het droge.

De Dog wordt ook wel een grondzeiler genoemd: een zeilschip op het droge dus. De wieken zijn voorzien van houten fokken (rechts). De wieken hebben ook zeilen. Foto: Henk Looijesteijn

Molengeschiedenis

De Castricummerpolder werd gevormd in het jaar 1579 en kort daarop voorzien van een poldermolen, een voorganger van de huidige molen. Hoe de molen aan zijn naam kwam is onbekend: misschien was ‘Dogge’ de naam van een waterloop in de buurt. De molen had een scheprad, maar in 1876 kwam er een vijzel in. Hierdoor ontstond meteen woonruimte voor de molenaar in de romp. In 1893 verrees naast de molen een hulpstoomgemaal dat bij windstilte bijsprong.

De Dog zoals geschilderd door Jan Groenhart in de koude winter van 1985. Aquarel, collectie HHNK

Molenaarsdrama

Op 6 december 1895 werd de molen omstreeks half drie 's middags tijdens hevig noodweer door de bliksem getroffen. Hij brandde binnen een half uur tot de grond af. Twee dochtertjes van molenaar Klaas Ooijevaar (1852-1932) kwamen in de vuurzee om. De polder besloot tot herbouw omdat het gemaal het niet alleen af kon. De bekende Zaandijker molenmaker Pieter Vredenduin (1835-1896) leverde het ontwerp. Meteen liet de polder een aparte woning voor de molenaar bouwen.

In 1896 werd de nieuwe Dog opgeleverd. Het jaartal is nog altijd duidelijk te zien, uitgesneden in het riet van de kap. Foto: Henk Looijesteijn

Restauratie

In 1934 werd de stoominstallatie in het gemaal vervangen door een dieselmotor. De Dog was daarna overbodig, maar tijdens de Tweede Wereldoorlog liet de polder de molen snel opknappen omdat er geen dieselolie meer te krijgen was. Na de oorlog sloeg het verval weer toe, maar gelukkig volgde na een lange aanloop in 1963 de eerste grote restauratiebeurt. Bij zware regenval springt De Dog dikwijls bij.

Aan een molen wordt altijd gewerkt. Werklieden en molenaars plaatsen dan hun naam als een soort graffiti. Hier de namen van molenaar Klaas Ooijevaar en van W. Schoenmaker die aan de bouw heeft meegewerkt. Foto’s: Henk Looijesteijn

Extra

De instandhouding van de molen wordt mede mogelijk gemaakt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de provincie Noord-Holland.