In het dorpje Schardam liggen in de voormalige Zeedijk twee oude sluizen, de Noorder- en de Zuidersluis. De Schermerboezem, de grote waterberging in het hart van Noord-Holland, watert daar uit op het Markermeer, en er liggen al sinds de 14de eeuw sluizen op deze plek.

Rond het jaar 1300 lagen tussen Alkmaar, Hoorn en Monnikendam een aantal snel groeiende meren. Ze stonden via verschillende waterlopen in verbinding met de Zuiderzee, zoals de Korsloot, die het Beemstermeer met de zee verbond. Het land lag laag en was kwetsbaar voor afslag en overstroming. Het Zuiderzeewater was steeds moeilijker buiten te houden. Vandaar dat men de Korsloot begin 14de eeuw afdamde. Al in 1320 wordt gesproken van Schardam, een dorpje dat bij de dam ontstond.

De Zuider- en de Noordersluis te Schardam. Foto: Henk Looijesteijn

Aanvankelijk zat er een opening in de dam, ten behoeve van de afwatering en de scheepvaart, maar dat was nog geen afdoende oplossing. In 1357 gaf graaf Willem V toestemming om in de dam twee houten spuisluizen te bouwen, waarmee het makkelijker werd de waterstroom te beheersen. Voortaan kon men dan bijvoorbeeld water spuien als het eb was, en voorkomen dat zeewater het land binnendring tijdens vloed. Voor de sluisbouw was een reeks dorpen in het achterland verantwoordelijk. Een nadeel was wel dat er niet meer door heen kon worden gevaren.

Graaf Willem V beval in 1357 de aanleg van de sluizen. Gouden munt met de graaf voorop en zijn wapenschild op de ommezijde. Door Numisantica - http://www.numisantica.com/, CC BY-SA 3.0 nl, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=32499176

Van deze twee sluizen lag de Noordersluis op de grens van de banne Hoorn en het gebied van de heer van Oosthuizen. Banne is een oude naam voor een rechtsgebied. Deze grenzen veranderden eeuwenlang nauwelijks. Vandaar dat op de sluis in 1761 door Hoorn een fraaie, nog steeds bestaande banpaal werd neergezet, met bovenop een eenhoorn met het stadswapen tussen de voorbenen. Wie was verbannen uit de stad Hoorn, mocht dus niet verder. 

De Hoornse banpaal, met op de achtergrond de Korsloot. Foto: Henk Looijesteijn

In de 16de eeuw bleek het nodig om het natte hart van Noord-Holland beter te beveiligen. In 1544 bepaalde keizer Karel V (1500-1558) dat de laatste twee open zeegaten bij Edam en Krommenie moesten worden afgesloten. Daar kwam niets van terecht totdat in 1565 een college van dijkgraaf en heemraden werd benoemd om klus te klaren. Daarmee werd de grondslag gelegd voor het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland. Dit nieuwe waterschap nam het beheer van de sluizen over. Het voerde in het wapenschild de dubbelkoppige keizerlijke adelaar, staand bovenop een sluis, zoals nog is te zien op een wapensteen ingemetseld in de Noordersluis.

De wapensteen op de Noordersluis. Foto: Henk Looijesteijn

In de jaren 1589-1595 vernieuwde Uitwaterende Sluizen de verouderde sluizen in de Schardam, eerst de Noordersluis en later de Zuidersluis. Het hout werd vervangen door steen. Bij dit project was de Alkmaarder Willem Jans Benningh (c.1570-1636) betrokken, een van de befaamdste sluizenbouwers van zijn tijd. Er werd een gedenksteen geplaatst in de Zuidersluis: ‘Om uyt telaeten het binne-waeters gewelt, sij ick hier van Dickgraef en Heemraeden gestelt’. Vermoedelijk werd toen ook een jaarsteen aangebracht, de steen met het opschrift ‘anno’. De versiering van deze steen is namelijk duidelijk 16de-eeuws. Er was waarschijnlijk ook een steen met het jaartal van de voltooiing van de sluis.

De gedenksteen op de Zuidersluis. Foto: Henk Looijesteijn

De Noordersluis had bij de bouw al gebreken vertoond, en na ruim een eeuw moest er een nieuwe sluis worden gebouwd, voltooid in 1712. Ook deze sluis werd voorzien van een gedenksteen, een ovale steen met de naam van het hoogheemraadschap en het jaartal. Op de sierrand eromheen is de naam vermeld van jonkheer Gerard van Egmond van de Nijenburg (1646-1712), als aandenken aan deze Alkmaarse jonker die dertig jaar dijkgraaf was van Uitwaterende Sluizen. Zijn familie speelde heel lang een belangrijke rol binnen het bestuur van verschillende Noord-Hollandse waterschappen.

De gedenksteen op de Noordersluis. Foto: Henk Looijesteijn

In 1737 bleek dat de paalwerken van de haven van Schardam ten prooi waren gevallen aan de paalworm, een in die jaren oprukkende boormossel. Destijds werden de dijken versterkt met balken en palen en de paalworm vernielde al dat hout geheel. Bovendien lekten de sluizen steeds meer – men vermoedde dat het aan de Zuidersluis lag, aangezien de Noordersluis nog niet lang geleden was vernieuwd. Besloten werd de sluis af te dammen en droog te leggen, en toen bleek dat de paalworm ook de Zuidersluis te grazen had genomen. 

Dit houtwerk aangetast door paalwormen toont hoe gevaarlijk het beestje was. Prent door Jan de Ruyter, 1731, Collectie Rijksmuseum RP-P-OB-83.676.

De Zuidersluis werd geheel vernieuwd: ook de muren waren zo slecht dat ze moesten worden vervangen, al hergebruikte men wel het een en ander. Het duurde ruim een jaar voordat de sluis weer werkte naar behoren. De jaarsteen uit de 16de eeuw werd hergebruikt, maar aan de andere kant van de sluis werd een nieuwe jaartalsteen geplaatst. Deze steen heeft duidelijk 18de-eeuwse versiering.

De jaartalsteen op de Zuidersluis. Foto: Henk Looijesteijn

De 18de-eeuwse sluizen bleken zeer duurzaam, al veranderde er daarna nog wel eens wat. Na de watersnoodramp van 1916 werden de Zuiderzeedijken verhoogd; ook de Schardamse sluizen werden toen hoger gemaakt. Kort geleden zijn de monumentale sluizen van nieuwe schuiven voorzien, waardoor men de af- en inwatering beter kan regelen. Het ijzeren hekwerk op de sluisbruggen is vermoedelijk echter nog 18de-eeuws; en ten noorden van de sluizen staat nog altijd het huis Schardam 21, een Rijksmonument dat in vroeger tijden het huis van de sluiswachter was.

De Noordersluis, met wapen- en gedenksteen, het 18de-eeuwse ijzeren hekwerk bovenop en bijpassend modern hekwerk beneden. Foto: Henk Looijesteijn

Extra