Historie

Homepage
 

Sidebar

Historie

wapen.jpg (23 Kb)

Het dossier Cultuur en historie op deze site bevat de volgende onderdelen:

Het water volgde de mens
Het is bijna onvoorstelbaar zoals Noord-Holland door de eeuwen heen is veranderd. Zo’n 1000 jaar geleden was de streek achter de duinen nog bedekt door een dikke laag veen die meters boven de zeespiegel uit rees. Dat pakket werd doorsneden door kleine riviertjes als de Bamestra waardoor het water vanzelf wegliep. Dat veranderde allemaal met de komst van de mens. Kolonisten trokken het veen in en namen het als landbouwgrond in gebruik. Er werden slootjes gegraven om het kletsnatte veen droger te krijgen. Daarmee begonnen de problemen met het water. Veen is namelijk net een spons. Als je het water eruit haalt, blijft er weinig over. Het gevolg van de ontginning was dan ook dat de bodem daalde, soms wel een paar centimeter per jaar! Het land kwam steeds lager te liggen en werd kwetsbaar voor het water. De kleine Bamestra groeide uit tot een reusachtig meer in het hart van Noord-Holland, de Beemster.

De eerste waterschappen
Het overal oprukkende water kon maar op één manier worden gestopt: door dijken te bouwen. Daarbij was het eerst ieder dorpje voor zich. Er bleken echter dijken nodig die aan hele gebieden bescherming boden. Een mooi voorbeeld is de monumentale Westfriese Omringdijk die heel West-Friesland omsluit. Het beheer van zo’n lange dijk vroeg om een speciale organisatie: een waterschap. Hoogst waarschijnlijk is het allereerste waterschapje ontstaan in of kort na het jaar 1196, ruwweg 800 jaar geleden. Op Sint Nicolaasdag (6 december) 1196 kwam de hele streek tussen Heiloo, Alkmaar en Bergen onder water te staan. Na deze ramp legden de samenwerkende dorpen een dijk aan om zich te beschermen. Om al die dorpjes op één lijn te krijgen en te zorgen dat ze de dijk goed onderhielden moest er wel een waterschap komen. Dit soort uit samenwerkingsverbanden ontstane waterschappen noemen we wel streekwaterschappen.

Polders
Een polder is niets anders dan een door een kade omringd stuk land. Dan was men van het water van de buren af en kon meteen de waterstand beter worden geregeld. De samenwerkende boeren gaven het bestuur over de polderwerken in handen van enkele poldermeesters. Zo ontstond er een nieuwe categorie waterschappen, de lokaalwaterschappen of polders. Vooral na de invoering van de windwatermolen ging het hard met de poldervorming. Met een molen kon men immers het water uit de polder naar buiten pompen en het land goed droog houden. De vroegst in oude archiefstukken genoemde watermolen stond in de buurt van Alkmaar. Hij werd gebouwd in 1407 of 1408.

Keizer Karel en Uitwaterende Sluizen
Al die polders loosden hun water op de grote binnenmeren, de Beemster, Schermer, Wijde Wormer, Purmer enzovoort. Die meren stonden weer in open verbinding met de zee. Het water kon dus zonder problemen weglopen.

Die zelfde meren knaagden echter ook voortdurend aan het land en de dijken. Overstromingen kwamen regelmatig voor. Om hier vanaf te komen, moesten allereerst de zeegaten worden gesloten. Sluiting van de zeegaten betekende echter hinder voor de scheepvaart. Keizer Karel V moest er aan te pas komen. Hij beval in 1544 dat er sluizen in de laatste twee open zeegaten moesten komen. Zo ontstond meteen een grote vergaarbak waarop het land zijn overtollige water liet afvloeien. Zo’n vergaarbak noemen we boezem.

De door de ordonnantie van Karel uit 1544 gevormde boezem werd bekend als de Schermerboezem. Tweeëntwintig jaar later, in 1566, stelde zijn zoon Filips II een bestuur over die boezem en de sluizen aan. Daarmee was de basis van het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland gelegd.

Watersnood en Concentratie
Rond 1900 telde Nederland bij elkaar wel 3.000 verschillende waterschappen. In Noord-Holland waren er meer dan 350. Daar kwam maar langzaam verandering in. De eerste waterschapsconcentratie was een uitvloeisel van de watersnood van 1916. In de nacht van 13 op 14 januari van dat jaar loeide een zware noordwesterstorm over ons lage land. Het water in de Zuiderzee steeg geweldig en de zeedijken van Waterland en van de Anna Paulownapolder bezuiden Den Helder braken door.

In Waterland stond het zoute water soms wel drie meter hoog op het land. Ook een gedeelte van de Zaanstreek kwam blank te staan met grote schade aan de fabrieken aldaar tot gevolg. Gelukkig kwam er van alle kanten hulp. Zelfs het kleine prinsesje Juliana leegde haar spaarvarken en gaf welgeteld twintig gulden en dertien cent. Na de ramp was het voor iedereen duidelijk: dit nooit meer. De provincie bracht daarom in 1919 alle zeedijken onder het beheer van één enkel waterschap, het Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier in Alkmaar.

Maar ook de honderden kleine polders moesten er aan geloven. Die waren vaak niet in staat voldoende geld bijeen te brengen voor een goed gemaal en rommelden maar door met stokoude spullen. In de jaren zeventig en tachtig werden ze daarom geconcentreerd in een serie grote polderwaterschappen.

In 1993 fuseerden het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en Westfriesland en het Hoogheemraadschap van Noordhollands Noorderkwartier tot het Hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Hollands Noorderkwartier.

In 2003 ontstond door een fusie tussen dit hoogheemraadschap en de inliggende waterschappen Westfriesland, Groot-Geestmerambacht, De Waterlanden, Hollands Kroon, Het Lange Rond en de Dienst Centrale Omslagheffing (DCO) het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.

Naar boven